Stil pandrecht DGA en Invorderingswet

2015-07-31 / Juridisch

Op 1 januari 2013 is art. 22bis invorderingswet 1990 ingevoerd. In deze bepaling staat dat pandhouder een mededelingsplicht heeft naar de Belastingdienst als zij haar rechten gaat uitoefenen of een feitelijke rechtshandeling (laat) verricht(en) met betrekking tot bodemzaken (roerende zaken die zich bevinden op bodem van belastingplichtige) waardoor de zaak niet meer kwalificeert als bodemzaak. De Belastingdienst is immers in rangorde van schuldeisers met haar bodembeslag hoger dan het bezitloos pandrecht (oftewel stil pandrecht) van een pandhouder.

In veel MKB ondernemingen heeft de directeur grootaandeelhouder (DGA) werkkapitaal en/of roerende zaken (voor)gefinancierd voor zijn bedrijf. Net als andere schuldeisers zal ook de DGA zich er goed van vergewissen dat hij wordt terugbetaald. Dit zal in eerste instantie worden geregeld in een lening- of rekening-courant overeenkomst tussen de DGA en zijn bedrijf. Daarbij is van belang dat de risico’s continu worden gemonitord om er voor te zorgen dat deze in verhouding (blijven) staat tot de rente, aflossingen en (af te geven) zekerheden. Het als zekerheid stellen van een stil pandrecht op roerende zaken, debiteuren, voorraden, intellectuele eigendommen en dergelijke is dan één van de mogelijkheden. De pandakte kan notarieel of onderhands worden overeengekomen, in het laatste geval is een registratie bij de notaris of Belastingdienst essentieel.

Als het bedrijf in het vervolg in zwaar weer terecht komt is het van belang dat de pandhouder DGA tijdig actie onderneemt omdat de Belastingdienst een bodemrecht heeft. Debiteuren, voorraden, vervoermiddelen en intellectuele eigendommen zijn overigens geen bodemzaken. Als de pandhouder zijn rechten wil uitoefenen op de bodemzaken (met een executiewaarde van > EUR 10.000,-), dat wil zeggen niet meer kwalificeren als bodemzaken, zal hij dat eerst moeten mededelen aan de Belastingdienst. Deze melding kan middels het formulier “Mededeling Artikel 22bis, Invorderingswet 1990” van de Belastingdienst. De meldende partij mag vervolgens 4 weken niets doen, zodat de Belastingdienst niet wordt beperkt in haar bodemrecht. De Belastingdienst zal in geval van achterstallige belastingschulden en/of lopende procedures/onderzoeken bij de belastingplichtige een bodembeslag kunnen leggen. De pandhouder heeft hierna ook 4 weken om haar pandrecht uit te oefenen. Als de pandhouder niet of te laat heeft gemeld zal de Belastingdienst de executiewaarde van de bodemzaken vaststellen en terugvorderen bij de overtreder (pandhouder), met als maximum de openstaande belastingschulden.

Conclusie is dat een pandhouder DGA op tijd gebruik moet maken van haar pandrecht, uiteraard nadat het op de juiste wijze is gemeld aan de Belastingdienst. Het niet meer kwalificeren als bodemzaak kan worden gerealiseerd zonder dat het bedrijf daar veel last van heeft, bijvoorbeeld door het verhuren van de roerende zaken, waarbij het reële eigendom bij een derde ligt.

Laatste Nieuws